Het land Italie

Voor de opkomst van de stadsstaat Rome was Italië bevolkt met een groot aantal volken: naast de Romeinen waren er de Etrusken, Apuliërs, Liguriërs, Sabijnen, Samnieten, Bretii en in de Povlakte de Kelten.

Rome breidde zich uit ten koste van haar buurvolken, zo ontstond het Romeinse Rijk. In deze vorm beheerste Italië eeuwenlang het Middellandse Zee gebied. De Romeinen namen de theoretische kennis van de Grieken over, en pasten deze praktisch toe. Hun aquaducten en de restanten van de wegen die zij in hun hele rijk aanlegden, zijn nog op veel plaatsen te vinden.

Na de ondergang van het Romeinse Rijk raakte Italië in verval. Italië kenden een veelheid aan vreemde overheersers: Ostrogoten, het Oost-Romeinse Rijk, de Lombarden. In midden Italië ontstond de Pauselijke Staat. In noord Italië kwamen de Franken onder Karel de Grote.

In 900 veroverden de Arabieren Sicilië. De Noormandiërs werden tegen hen te hulp geroepen. Deze stichtten op Sicilië hun eigen koninkrijk.

In de 11e eeuw trok de handel langzaam weer aan. Vooral de handel overzee bloeide met handelssteden als Amalfi, Pisa, Genua en Venetië. De Renaissance brak hier aan, met grote kunstenaars als Michelangelo, Leonardo da Vinci en Rafael. Deze gouden eeuw eindigde in de 16e eeuw.

Aan het begin van de 16e eeuw verplaatste de handel zich van het Middellandse-Zeegebied naar de Atlantische Oceaan: een gevolg van de ontdekkingsreizen en de nieuwe zeeroutes met de Nieuwe Wereld, India, China en Indonesië. Het directe gevolg was een afname van de macht van de Italiaanse staatjes. Italië kwam onder invloed van Spanje, Frankrijk en Oostenrijk. Het pauselijke gezag en de pauselijke invloed namen sterk af door de reformatie.

De Italiaanse vereniging was een langdurig proces, politiek gezien beginnend bij het Congres van Wenen en eindigend bij het eind van de Eerste Wereldoorlog, waar bij het Verdrag van Saint-Germain de laatste onafhankelijke steden in het Koninkrijk Italië werden opgenomen.

De Italianen kregen Venetië in handen door zich in 1866 met Pruisen te verbinden tegen Oostenrijk. De verhouding met de Pauselijke Staat bleef moeilijk tot het concordaat van 1929.

Italië kreeg een tweekamerstelsel met een door de koning benoemde Senaat en een gekozen Kamer. Gedurende de eerste decennia werd het gezag van de regering ondermijnd door de twisten tussen de politieke partijen - de liberalen en de radicalen - en persoonlijke schandalen van politici.

De belangrijkste politieke figuren in deze tijd waren Agostino Depretis en Francesco Crispi.

In dit tijdperk verwierf Italië ook enkele koloniale bezittingen: Eritrea (1882-1890), Italiaans Somaliland (1899-1905) en na een oorlog tegen Turkije, die het land tevens de Dodekanesos opleverde, Libië.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef Italië aanvankelijk neutraal. Nadat de geallieerde mogendheden bij het verdrag van Londen royale gebiedsuitbreiding hadden toegezegd, verklaarde Italië in mei 1915 de oorlog aan Oostenrijk en in augustus 1916 ook aan Duitsland. In militair opzicht was de oorlog geen succes, maar bij de vrede werd Italië beloond met Istrië en Triëst, Zadar (Zara) in Dalmatië en geheel Zuid-Tirol. De kwestie Zuid-Tirol bleef vervolgens de Italiaans-Oostenrijkse betrekkingen belasten. Fiume (Rijeka), dat aanvankelijk tot vrijstaat was verklaard, werd in 1919-1920 eigenmachtig door de dichter-politicus Gabriele d'Annunzio voor Italië bezet.

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog bleef Italië neutraal. Op 10 juni 1940 verklaarde het de oorlog aan Frankrijk en Engeland. Benito Mussolini geloofde dat Engeland snel om genade zou smeken, maar dat bleek een misrekening. De Italiaanse strijd te land was een mislukking, Duitsland moest Italië zowel in Griekenland als in Noord-Afrika te hulp komen. Wel vergrootten de Italianen hun gebied met Montenegro, een deel van Griekenland en enkele steden in Frankrijk (dat was echter geen noemenswaardige vooruitgang). Ook de Afrikaoorlog tussen Italië/Duitsland en Engeland verliep in eerste instantie dramatisch voor de Italiaanse troepen. Pas toen twee Duitse divisies te hulp schoten wisten de Italianen gebiedsuitbreiding in Egypte te verwezenlijken.

Na het vastlopen van de invasie in de Sovjet-Unie en de Amerikaanse deelname aan de oorlog keerde het tij. In mei 1943 werden de Italianen en de Duitsers uit Noord-Afrika verdreven. In juli 1943 volgde de landing op Sicilië. Koning Victor Emanuel III reageerde door Mussolini te laten arresteren. Hij benoemde maarschalk Badoglio als premier. De Duitsers bezetten snel grote delen van Italië. Zij bevrijden Mussolini die de Italiaanse Sociale Republiek oprichtte.

Terwijl de geallieerden moeizaam door Italië naar het noorden oprukten (Rome, juni 1944, Milaan, april 1945), verklaarde de Italiaanse monarchistische regering Duitsland de oorlog.

Sinds 2 juni 1946 is Italië door een volksraadpleging een republiek. De republikeinse grondwet trad op 1 januari 1948 in werking.

Italië is sinds de jaren vijftig lid van de NAVO, ze is vanaf de oprichting lid van de Europese Gemeenschap.

Geografie

Ongeveer 75% van Italië is bergachtig of heuvelachtig en ruwweg 20% van het land is bebost. Er zijn smalle stroken van laagland langs de Adriatische kust en de delen van de Tyrreense kust.

In het noorden van het land liggen de Alpen en de Dolomieten en verder strekken de Apennijnen zich uit van Genua (Genova) in het noorden tot voorbij Napels (Napoli) in het zuiden.

In het noorden liggen de grote meren: het Lago Maggiore, het Comomeer (Lago di Como), het Lago d'Iseo en het Gardameer (Lago di Garda). In het midden van Italië ligt nog een aantal meren, waarvan het Bolsenameer het grootste is. Belangrijke rivieren zijn de Tiber, de Arno en de Po; De Po is veruit de belangrijkste: de meeste Alpenrivieren (wel: Ticino, Oglio, Noce, enz. - maar niet de Adige) monden hierin uit en het is de slagader van de laagvlakte van de Po, Italiës grootste agrarische gebied en graanschuur.

Noordelijk Italië, dat grotendeels uit een enorme vlakte bestaat die door de Alpen in het noorden wordt omvat en door de Po-rivier en zijn zijrivieren wordt afgevoerd, bestaat uit de gebieden van Ligurië, Piëmont, Valle d'Aosta, Lombardije, Veneto, en een deel van Emilia-Romagna (dat zich in Centraal-Italië uitbreidt). Gran Paradiso (4061 m), de hoogste berg die geheel binnen Italië ligt, ligt in Valle d'Aosta.

Het Italiaanse schiereiland bestaat uit Centraal-Italië (Marken, Toscane, Umbrië en Latium) en zuidelijk Italië (Campanië, Basilicata, Abruzzen, Molise, Calabrië en Apulië).

Het land is rijk aan natuurschoonheid: de majestueuze Alpen in het noorden, de glooiende heuvels van Umbrië en Toscane, en het ruwe landschap van Zuid-Apennijnen. De baai van Napels, die door de Vesuvius wordt overheerst, is één van de beroemdste baaien van de wereld. Naast de beroemde vulkaan de Vesuvius, die in 79 voor Christus verwoestend uitbarstte, heeft Italië nog een aantal actieve vulkanen: de Etna op Sicilië, Stromboli, Vulcano en andere.

Economie

Italië begon in vergelijking met andere Europese naties laat te industrialiseren, en tot de Tweede Wereldoorlog was het grotendeels een landbouwland. De transformatie van agrarisch land naar een moderne industriële natie zorgde tussen 1950 en 1980 voor een groei van het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking van 200%. Na 1980 steeg de staatsschuld en het percentage werklozen, wat er toe leidde dat de groei van het BNP daalde tot gemiddeld 1,3% per jaar. Eind jaren ’80 herstelde de Italiaanse economie zich weer geleidelijk. In deze periode steeg de groei van het BNP naar 3,3% en de inflatie daalde naar 6,5%. Het percentage werklozen bleef echter hoog net zoals de staatsschuld.

Met de opkomst van de tertiaire sector (zoals het bank- en verzekeringswezen) nam dit percentage weer af. Het aandeel van deze sector in de werkgelegenheid is daarentegen alsmaar toegenomen (61,2% in 1998) en zij telt in de jaren '90 voor meer dan 60% van het BBP. In diezelfde jaren '90 heeft de Italiaanse industrie een aandeel van 35% in het jaarlijkse BBP en van ongeveer 32% in de werkgelegenheid. De Italiaanse landbouw heeft een aandeel van minder dan 4% in het BBP en dat in de werkgelegenheid neemt af (5,9% in 1998). De belangrijkste landbouwproducten zijn vruchten, suikerbieten, graan, tomaten, aardappels, sojabonen, olijven en olijfolie, en vee (vooral rundvee, varkens, schapen, en geiten). Bovendien wordt veel wijn uit druiven geproduceerd die in het land worden gekweekt. Er is een kleine visindustrie, waarbij de Adriatische zee een belangrijke rol vervult. Men vangt onder andere ansjovis, sardines, tonijn, inktvis en schaaldieren. Daarnaast heeft de Italiaanse voedingsindustrie grote veranderingen ondergaan.

De industrie is gecentreerd in het noorden, in het bijzonder in de "gouden driehoek" van Milaan-Turijn-Genua. De economie van Italië heeft geleidelijk andere vormen aangenomen, van voedsel en textiel naar techniek, staal en chemische producten. De belangrijkste producten van het land omvatten ijzer, staal, en andere metaalproducten; geraffineerde aardolie; chemische producten; elektro en niet-elektrische machines; motorvoertuigen; textiel en kleding; afgedrukte materialen; en plastieken. Hoewel veel van de belangrijkste industrieën van Italië genationaliseerd zijn, is de tendens de laatste jaren naar privatisering geweest. De rol van de Italiaanse Overheid is echter nog altijd karakteristiek voor de economie.

De "motor" van de Italiaanse economie wordt vooral gevormd door het midden- en kleinbedrijf. Hierbij gaat het veelal om familiebedrijven, die met name in de jaren '80 zijn opgericht. In deze periode maakte de Italiaanse economie een moeilijke tijd door. Deze verschuiving in de Italiaanse bedrijfscultuur werd vooral mogelijk gemaakt door het veranderen van het consumptiegedrag van de Italianen en de inflexibiliteit van de Italiaanse multinationals, die onder andere te wijten was aan het familisme. Het midden- en kleinbedrijf, dat in zogenaamde "distretti industriali" of "industriële districten" kan worden verdeeld, had deze massaconsumptie niet nodig, maar specialiseerde zich daarentegen in specifieke markten.

Italië heeft een grote buitenlandse handel. De belangrijkste exportproducten zijn: textiel, kleding, metalen, machines, motorvoertuigen en chemische producten; de belangrijkste invoerproducten zijn machines, vervoerapparatuur, chemische producten, voedsel, voedingsmiddelen en mineralen (vooral aardolie). Het toerisme is een belangrijke bron van inkomsten. De belangrijkste handelspartners zijn Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk; de Italiaanse infrastructuur, vooral die in het zuiden, is met name in de naoorlogse jaren verbeterd.

De Italiaanse economie staat bekend om het grote welvaarts- en ontwikkelingsverschil tussen het noorden en het zuiden. De oorzaken hiervan hebben vooral betrekking op de verschillende historische ontwikkeling, geografische ligging en het fysische milieu. Van deze twee gebieden is het noorden het meest welvarend: het heeft de beste landbouwgrond, de belangrijkste haven (Genua) en de grootste industriële centra. Noord-Italië heeft ook een bloeiende toeristenhandel op de Italiaanse Riviera, in de Alpen (waaronder de Dolomieten) en langs de kusten van zijn mooie meren (Lago Maggiore, Comomeer, en Gardameer).

Het land heeft te kampen met de invloed van de maffia. Met deze ook buiten Italië gebezigde term, duidt men misdaadorganisaties aan die in structuur, interne werking en activiteiten kunnen verschillen. In Italië betreft het de Siciliaanse maffia (Cosa Nostra), de Napolitaanse (de Camorra), de 'Ndrangheta (actief in Calabrië) en de Sacra Corona Unita (actief in Apulië). De aanwezigheid van deze organisaties, vooral in het zuiden, kan in verband worden gebracht met de economische problemen in Zuid-Italië ten opzichte van het noorden.

Sinds de jaren '50 probeert de Italiaanse overheid door middel van een ontwikkelingsfonds voor het Zuiden (casa per il Mezzogiorno) de welvaartskloof in vergelijking tot het noorden van het land te dichten. In het begin probeerde men de kloof te dichten door de agrarische sector te moderniseren en de Italiaanse infrastructuur te verbeteren. Toen echter duidelijk werd dat deze manier van investeren de werkgelegenheid juist verkleinde, kwam de nadruk te liggen op een snelle industrialisatie van het gebied. Hoewel deze industrialisatie de achterstand van het zuiden ten opzichte van het noorden niet kon wegnemen, is het inkomensniveau in Zuid-Italië wel toegenomen.

De economische groei van de Italiaanse economie na de Tweede Wereldoorlog heeft dan ook vooral in het noorden van het land plaatsgevonden. De industriecomplexen in het Zuiden zijn vaak arbeidsintensief en statisch van structuur, en kunnen vaak alleen door middel van overheidssteun voortbestaan. Door deze ongunstige economische ontwikkeling met betrekking tot het Zuiden zijn de interregionale verschillen tussen noord en zuid sterk toegenomen.

Klimaat

Het grootste deel van Italië heeft een mediterraan klimaat met warme zomers en zachte winters.

In het noorden is het kouder. Het klimaat is daar enigszinds vergelijkbaar met dat in België en Nederland, maar met koudere winters en warmere zomers. In de Alpen ligt vaak sneeuw. Op Sicilië is het warmer.

Veel winden in Italië hebben een naam. Zoals de Tramontana, deze wind betekent; Over de bergen. Deze wind is vooral te merken in de winter, het is een sterke en koude wind, hij komt uit het Noorden. Het is een droge wind, doordat al veel neerslag in het noorden is gevallen.

De wind 'Greco' (uit Griekenland), lijkt erg op de Tramontana, maar heeft meer wolken, dus meer neerslag.

 

 

10-daagse Rondom VenetiŽ en Verona voor singles



Een afwisselende Singlereis naar het prachtige Veneto met als hoogtepunten een bezoek aan VenetiŽ en Verona.

vanaf
EUR 799


Andere Abano Terme aanbiedingen